Hoofdstuk 27

Ik had een hele poos geslapen toen ik wakker werd en ik mijn maagje voelde knorren. Dat spul in mijn voedselbakje stond er nog steeds, ik zou dat toch echt niet gaan proberen. Herman moest maar ander voedsel geven, anders ging ik in hongerstaking. Inmiddels hoorde ik een zacht gemiauw onder mijn kooitje. Er was dus kennelijk een poes of kat bij gekomen. Zachtjes, om niemand eventueel wakker te maken, miauwde ik terug. Het bleek een kat te zijn die ergens op straat was gedumpt, zo vertelde hij mij. Zijn baasjes hadden hem niet meer nodig, want een klein mensje had zijn plaats ingenomen. Gelukkig had iemand hem gevonden en naar Herman gebracht. Ik vertelde hem wat mij was overkomen en voordat ik het eigenlijk doorhad waren we lekker aan het miauwen met elkaar. Zo hoorde ik dat er een poes met een gebroken poot was, een ander had huidproblemen en weer een ander had last van zijn ogen. Door al dat gemiauw droomde ik eventjes weg en zag ik het volgende plaatje. Ik schrok weer wakker toen de deur open ging en Herman naar ons toe kwam. Hij ging eerst bij de nieuwelingen kijken. De poes met de gebroken poot werd voorzichtig uit zijn kooitje gehaald en hé, wat zag ik aan zijn pootje? Zij had een heel witte pootje dat heel stijf leek. Herman bekeek de poot van alle kanten en na nog wat te hebben gepraat zette hij Tina, zo heette die poes, weer terug in het kooitje .
Alle andere poezen en katten waren, net zo als ik, heel verbaasd dat Herman onze taal sprak. Het gemiauw van verbazing was niet van de lucht. Nu was het mijn beurt om uit mijn kooitje te worden gehaald. Een beetje boos was Herman wel, omdat ik mijn voedselbakje niet leeg had. Ik vertelde hem dat ik dat vies ruikende spul niet door mijn keel kon krijgen. Daarop vertelde Herman mij dat juist dat spul heel goed was voor mij, als ik ooit weer goed zou willen lopen moest ik dat vieze spul eten. Nou, ja dat moet dan maar, was er dan geen ander luchtje aan het voedsel te maken? vroeg ik. Daarop moest Herman zo hard lachen dat alle dieren verbaasd keken waarom Herman zo moest lachen. Nog nahikkend van het lachen vertelde hij de andere dieren het verhaal. Ik zag daar de humor niet van in, iets wat vies ruikt kan nooit lekker zijn dacht ik. Nadat Herman was uitgelachen en gepraat vulde hij mijn voedselbakje met een nieuw soort voedsel. Het rook wel beter, zou het ook beter smaken? Heel voorzichtig proefde ik een hapje, jakkes wat smaakte dat anders. Mijn maagje knorde nu zo hevig dat ik mij verpoesde en met tegenzin toch heel mijn voedselbakje maar leeg at. Wat een nasmaak zat er aan dat voedsel, even wat water lebberen om die smaak weg te drinken.
Herman wenste ons nog welterusten en ging naar zijn eigen kamer. Het was ondertussen een gezellig gemiauw rondom mij, na nog wat met de anderen te hebben gemiauwd ging ik uitgeput achterin mijn kooitje liggen en was binnen een mum van tijd in poezendromenland. Ja, ik weet het klinkt gek, maar ook wij poezen kunnen dromen. Let maar eens op als wij diep slapen, soms kun je ons een raar gezicht zien trekken, of vreemde bewegingen zien maken.Ook jullie mensen kunnen dat, vaak nog veel beter dan wij.
|