HOOFDSTUK 3
Ik droomde, ja poezen kunnen ook dromen hoor, dat ik hier waar ik was zou kunnen blijven dat zou ik dan blij zijn. Alle nare herinneringen kwamen weer boven van toen ik daar bij de dierenarts was en zelfs herinneringen van daarvoor. Hoe ik als heel klein wezentje samen met mama en mijn broertjes en zusjes lekker lag te slapen. Had ik honger, ging ik gewoon naar mama toe, die had altijd eten al was het midden in de nacht. Ik had altijd gezelschap, mijn broertjes en zusjes die altijd wel wilde spelen en natuurlijk mama. Maar op zekere dag, ik had net geslapen, voelde ik mama niet meer. Alleen mijn broertjes en zusjes waren er nog. Later, veel later, begreep ik dat mama plotseling dood was en naar de poezenhemel was gegaan. Wij met zijn allen hadden honger dus begonnen we te zoeken naar dat spul met die witte kleur. Luidkeels begonnen wij te piepen, want miauwen konden ze toen nog niet. Eerst werd mijn zusje plotseling uit de mand gehaald, daarna mijn ene broertje ook. Na wat een eeuwigheid leek kwam mijn zusje weer terug en even daarna ook mijn ene broertje. Ik likte mijn zusje en proefde dat witte spul aan haar bekje. Zou mijn ene broertje dat ook hebben? Meteen ging ik er naar toe en begon hem ook te likken. Jawel hoor, ook dat witte spul, maar waar kwam dat vandaan?? Plotseling werd ik in mijn nekvel beetgepakt en ging ik omhoog. Ik werd op iets zachts gezet en kreeg iets voor mijn bekje en instinctief zoog ik eraan. HHmmm, lekker, dat was dat witte spul zeg!! Dat kwam dus daarvandaan!! Raadsel meteen opgelost.!! Nadat er niets meer uitkwam en ik alleen maar lucht lag te zuigen werd ik weer bij mijn broertjes en zusjes neergelegd en ging met een vol buikje meteen slapen. Ik groeide en groeide en werd dikker en dikker. Op zekere dag, ik denk dat ik een maand of drie oud was, ging eerst mijn ene broer weg. Hij was er plotseling niet meer. 
Veel later begreep ik dat hij de eerste was die bij andere wezens ging wonen. Ik heb hem nooit meer teruggezien. Een voor een gingen al mijn broers en zusjes weg totdat ik alleen over bleef. Op zekere dag werd ik ook weggehaald, weg uit mijn vertrouwde omgeving. Ik werd in een soort verblijf neergezet met allerlei andere dieren. Meestal had ik het koud, ik was helemaal alleen en wilde weer terug. Op zekere dag , ik weet het nog goed. Ik lag lekker te doezelen in de zon, zo werd ik tenminste nog een beetje warm, hoorde ik iets wat niet klonk als miauw, eerder een diep gegrom alsof iets heel boos was. Ik deed mijn ogen heel voorzichtig open en verstijfde van schrik. Voor mij stond iets wat een vreselijk lawaai maakte en hapbewegingen maakte naar mij !! Wat had ik misdaan ?? Instinctief begon ik te blazen en met mijn poot te slaan, nagels uit, in de hoop mijn belager een goede haal te geven. Maar het wist van geen wijken hoor, integendeel. Het kwam steeds dichterbij !! In uiterste nood zette ik mij af en sprong over het heen en rende weg, weg van al dat lawaai. Veel later begreep ik dat het mijn eerste kennismaking was met een hond. Ik rende en rende totdat mijn pootjes zeer deden van al dat lopen. Waar was ik ?? Alles om mij heen kende ik niet, ik had honger, ik was nat en bang.
|